De Kapelkerk in Alkmaar  (kort na 1500-1540, verbouwd 1707 en 1762)

  1. HET GEBOUW

Een Brabants gotisch kerkgebouw met speklagen (begin 16de eeuw)

De Kapelkerk is een van oorsprong tweebeukig gebouw, met een brede hoofdbeuk langs de Laat en een smallere zijbeuk ertegenaan. De twee beuken worden gescheiden door slanke zuilen op veelhoekige basemeneten. De bouw werd kort na 1500 begonnen en duurde tot 1540. De bouwstijl is die van de Brabantse gotiek, een regionale variant van de late gotiek. Kenmerkend is de toepassing van Brabantse witte steen. Deze werd o.a. voor de zgn. speklagen in het buitenmuurwerk gebruikt. De kerk is een van de twee middeleeuwse kerkgebouwen die de Alkmaarse binnenstad nog altijd telt. Zoals alle middeleeuwse kerken was zij gebouwd voor de R.K. eredienst. Na de Reformatie aan het eind van de 16de eeuw werd zij voor de Hervormde eredienst ingericht. Nog altijd is zij als kerk in gebruik.

 Alkmaarse baksteen

Bij de bouw werd volop gebruik gemaakt van Alkmaarse baksteen, gebakken in steenovens die eertijds stonden aan de Friese weg, aan de noordzijde van de stad. De klei, nodig voor het bakken van de steen, kwam uit de vele toenmalige meertjes en meren in de omgeving, zoals de Kleimeer. De Alkmaarse baksteen is een geelrood gemeleerde steen, die ook voorkomt aan aandere laatmiddeleeuwse gebouwen in de stad zoals de Grote Kerk en de stadhuisvleugel aan de Langestraat. Aan het eind van de 16de eeuw, toen begonnen werd met de demping van de meertjes en meren, werd de baksteenfabricage gestopt.

 Een verbouwing in Hollands classicistische stijl (1707): noordtransept en koepeltorentje

In 1707 kwam er een transept (dwarsbeuk) aan de noordzijde in Hollands classicistische stijl. Kenmerkend voor die stijl zijn o.a. de rondbogige kerkvensters met eenvoudige ijzeren vensterharnassen. Buiten werden bijzondere steunberen toegepast. Zoals te zien is op het pleintje aan het Verdronkenoord. Zij hebben een gebogen vorm. Dit was de vorm die, naar men toen meende, voorkwam aan de beroemde Tempel van Salomo, waarover in de Bijbel wordt verteld. Vandaar de benaming ‘tempelsteunberen’. De bekende architect Jacob van Campen paste ze als eerste in ons land toe aan de Nieuwe Kerk in Haarlem (1645). Daarna volgden anderen zijn voorbeeld, o.a. in Zaandam en Alkmaar. Tevens werd in 1707 het gotische houten tongewelf in de zijbeuk vervangen door stucgewelven en werd het laatgotische daktorentje met open peerspits vervangen door een koepeltorentje (met twee koepels boven elkaar)

 Een nieuwe kap, een rococo stucgewelf en een nieuw koepeltorentje (1762)

In de 1760 woedde er een hevige brand in de kap. Daarbij ging zowel de eiken kap, als het oude eiken tongewelf boven de brede hoofdbeuk als het koepeltorentje verloren. Er kwam nu een nieuwe grenen kap met een koofvormig gewelf van stucwerk. Het is een bijzonder koofgewelf, voorzien van drie verdiepte velden en versierd met zwierige stuc ornamenten in rococo stijl. Het koepeltorentje werd vervangen door een kopie van dat uit 1707: een houten torentje, bekleed met lood. Het biedt plaats aan wijzerplaten en een carillon met klokken uit diverse periodes, waarvan een aantal van Melchior de Haze (ca. 1685)

 

  1. HET INTERIEUR

 

De dooptuin met preekstoel (1762) centraal

Het belangrijkste onderdeel van de protestantse eredienst is de preek, gehouden door een predikant vanaf de preekstoel. Dit stoelgedeelte wordt traditioneel omgeven door een hek. Binnen de aldus ontstane ruimte werd ook gedoopt, vandaar de benamingen dooptuin en doophek. Na de brand van 1760 werd er een nieuwe kansel gemaakt, voorzien van een groot klankbord. Het was een geschenk van Guurtje de Volder, weduwe van klaas Botter, uit dankbaarheid dat haar woning gespaard was bij de brand. Er werd door twee beeldhouwers aan gewerkt : Asmus Frauen uit Amsterdam en Wilem Straetmans, geboren te Brussel, maar werkzaam in Alkmaar. In 1742 hadden zij ook al in Alkmaar samengewerkt, en wel aan het huis van burgemeester Carel de Dieu aan de Langestraat 114. Opmerkelijk zijn de rococo trapleuning en de vijf taferelen van bekende Bijbelse verhalen, die deels aan het Oude Testament zijn ontleend en deels aan het Nieuwe.

  1. (naast de trap) Het brandoffer van Noach, nadat de Ark behouden is aangekomen.
  2. (middenvoor) De verschijning van de Heer aan Mozes op de berg Sinaï
  3. (daarnaast) Christus predikend  (Bergrede zie foto)
  4. (uiterst rechts) Het Pinksterfeest (de discipelen ontvangen de H. Geest)
  5. (op het deurtje links bij de trap) Paulus uitgaande om te prediken.

Het koperwerk (lezenaars en kronen)

In en aan de dooptuin is allerlei mooi koperwerk, o.a. twee koperen lezenaars te zien. De ene (1665), aan het doophek, laat de torenburcht uit het wapen van Alkmaar zien, omgeven door laurierranken. Twee identieke lezenaars, eveneens uit 1665, zijn in de Grote kerk. Er is nog een tweede koperen lezenaar in de kapelkerk, aan de preekstoel. Deze, met rococo krullen versierd, zal net als de preekstoel uit 1762 stammen. Verder zijn er in de kerkruimte diverse koperen kaarsenkronen, o.a. twee grote koperen kronen in de hoofdbeuk met twee rijen gekrulde armen, vermoedelijk nog uit de 17de eeuw.Bijzonder zijn de twee 17de eeuwse kaarsenkroontjes met armen in de vorm van gekrulde slangen.

 De magistraatsbank (1707)

In de dwarsbeuk uit 1707 staat een reusachtige herenbank, bestemd voor de magistraat (de leden van het stadsbestuur) , eveneens uit 1707. Hier heeft men een goed uitzicht op de dooptuin met de preekstoel. Er zijn vier rijen zitplaatsen (met deurtjes). De mooiste plaatsen, op de achterste rij, waren voor de burgemeesters (Alkmaar had er vroeger steeds vier tegelijk) en ex-burgemeesters.

 De herenbank (1762) met portaal, trap en galerij

Na de brand van 1760 kreeg de kapelkerk er een tweede grote herenbank bij met twee rijen zitplaatsen. De voorste waren bestemd voor de leden van de Krijgsraad, de achterste voor de regenten van de gasthuizen. Bovendien war er in de hoek linksachter nog een rijtje met enkele zitplaatsen, bestemd voor de stadsbazen (de stadstimmerbaas en de stadsmetselbaas). Rechts bevat de bank een tochtportaal (voor de toegangsdeur aan de Laat), links een doorgang naar de vroegere consistorieruimte en een trap. Deze trap voert naar de galerij boven de herenbank.

Begraven in de kerk

Eeuwenlang is het gebruikelijk geweest om de doden in de kerken te begraven. Maar in de Kapelkerk was dat aanvankelijk niet toegestaan. Pas toen in 1575 de Grote Kerk en het bijbehorende kerkhof onvoldoende ruimte hadden, mocht er ook in de Kapelkerk begraven worden. Er is een aantal 17de eeuwse en 18de eeuwse hardstenen zerken bewaard, deels verborgen onder de houten vloer

Het Müllerorgel (1762)

Na de brand van 1760 werd er een nieuw orgel gebouwd: een zgn. balustradeorgel. Het geld daarvoor werd geschonken door Johanna Geertruida Chastelain. Ook de vier toen regerende burgemeesters waren bij de bouw betrokken. Hun wapens staan op de orgelkas: aan de Laatzijde die van Hendrik Daey en Carel de Dieu, aan de andere zijde die van Adriaan Beart en Jhr. Jacob Cats. Het orgel, gemaakt door de beroemde orgelbouwer Christiaan Müller en zijn zoon Pieter, heeft twee manuelen en een pedaal en omvat 24 stemmen. Orgelkas, orgelbalkon en ingangsportaal vormen samen een indrukwekkend geheel dat de totale westmuur van de hoofdbeuk vult. Het ontwerp toont een mengeling van classicistische elementen (het Fries van metopen en triglieven boven de deuren) en roccoco motieven. Bovenin ziet men kleine naakte engeltjes die aan het musiceren zijn.

 De gebrandschilderde glas-in-loodramen van Bogtman (vervaardigd 1922-1942)

De ramen van de Kapelkerk zijn voorzien van kleurige gebrandschilderde glas-in-loodtaferelen met bijbelse en andere kerkelijke motieven, ontworpen en uitgevoerd door de bekende Haarlemse glazenier Willem Bogtman in de periode 1922-1942. Zij zijn geschonken door lidmaten van de Herv. Gemeente, zoals de bekende aannemersfamilie Ringers. De huidige opstelling is anders dan de oorspronkelijke, omdat vóór de restauratie van 1953-1956 de vensterindeling anders was. Toen waren er tweedelige vensters van kunststeen, die in 1867 de oorspronkelijke gotische vensters hadden vervangen. Aan de Laatzijde werden diverse van die tweedelige vensters gevuld met twee bij elkaar horende taferelen. Bij de restauratie van 1953-1956 werden de kunststenen vensters vervangen door de huidige vensters van baksteen met een indeling in drieën en is gekozen voor slechts één voorstelling per venster, aangebracht in het middelste vak. Ook de omrandingen veranderden. Verdwenen zijn de brede omrandingen in Amsterdamse School  stijl. Darvoor in de plaats kwamen de huidige bescheiden omrandingen. Alle wijzigingen in 1953-1956 werden overigens uitgevoerd door de ontwerper van het oorspronkelijke ensemble, Willem Bogtman.

 

(overgenomen van Carla Rogge, Afd. Monumentenzorg en Archeologie, Gemeente Alkmaar, 2003)

 

Op dit moment april 2004 wordt de laatste hand gelegd aan de renovatie van de Kapelkerk die hard aan onderhoud nodig was. Alle stucwerk is vervangen. Delen hout van het torentje vervangen wegens houtrot. Daarnaast is er een verwarming in de kerk aangelegd. Consistoriekamer opgeknapt en naar de huidige maatstaven van de maatschappij gebracht zonder afbreuk te doen in aangezicht. En als laatste is het orgel onderhanden genomen waarmee men op dit moment nog druk mee bezig is om het te stemmen en de pijpen te herplaatsen. Onderstaand ziet u een aantal foto’s van de nieuwe situatie.

In September 2004 zal de officieële opening plaatsvinden.

 

        

  

  

  

Zie ook www.kapelkerk.nl